Prozzza

Dien hier jouw proza-tekst in zodat jouw werk in de volgende editie kan verschijnen! Rol de mouwen omhoog, dip je pen in wat inkt en zet je meest creatieve beentje naar voren. Je mag kiezen of jouw inzending al dan niet anoniem wordt gepost :)

Thank you! Your submission has been received!
Oops! Something went wrong while submitting the form.

Lees hieronder de inzendingen van afgelopen maand!

 maatschappelijke kritiek   openbare ruimte   column

BESTE TREINREIZIGER, HET IS UW RECHT GOED ONTVANGEN TE WORDEN OP HET PERRON.
door Nathan De Riddere


Alvorens ik de roltrap in Brussel-Noord opstap hoop ik bij aankomst bovenaan op hetperron de oude houten banken te zien. Vandaag is mijn geluksdag. Ik zal op mijn trein naar Gent mogen wachten op een van die prachtige houten bankjes. De zitbanken werden ontworpen voor de opening van het Noordstation in 1952. Ze zijn gemaakt van houten latten: ongeveer één kartonnen koffiebeker breed, in olie gedrenkt en gemonteerd langs een curve die aansluit op mijn anatomie. De kleur van de bankjes heeft iets weg van de kleur van je grootmoeders kast. De dwarse bankjes in de hoek suggereren een publieke zithoek waarin de reiziger kan onderuitzakken of zelfs indommelen. Nog voor ik wekelijks de trein van en naar Brussel nam was de NMBS bezig met stelselmatig deze genereuze zitbanken te vervangen door stoeltjes uit aluminium. Generische meubelstukken die je nu aantreft in zowat elk station. Gelukkig waren er enkele activisten die er een stokje voor staken en moest de nationale spoorwegmaatschappij - lichtjes geneert- de actie afblazeni. De mooie meubels konden blijven, inspirerend werk van die activisten, maar nu blijven de banken achter als stille getuigen van een tijd dat reizen met de trein anders was. Aan de andere kant van het spoor zie ik een vrouw ietwat ongemakkelijk gewrongen tussen de armleuningen van de nieuwe stoeltjes, haar kleurrijke kledij steekt af tegen het kille grijs. De houten banken waarop ik zit komen uit een tijd dat er gele gordijntjes in de wagons hingen, uit de tijd dat de zetels hoog waren en de kussens dik, uit de tijd dat stations een dak boden aan zij die geen dak bezitten. ‘Huiselijkheid weg van huis’ zo noemde historicus Penny Sparke het, knusse publieke ruimtes van oudsher dienden als remedie tegen de whiplash van de moderniteit, ze imiteerden de domestieke setting waarin de eenzame, witte, vrouwelijke consument vertoefde terwijl haar mannaar de fabriek vertrokii. Tevens was het station van oudsher een vestibule voor de stad, stationshallen voorzien van mozaïek of muurschilderingen met lokale cafés en comfortabele meubels verwelkomden menig toerist, pendelaar of scholier in de stad van aankomst of boden hun een comfortabele wachtkamer voor het vertrek naar hun stad van herkomst. De huiselijkheid weg van huis maakte het station tot een waar publiek interieur, een overgang tussen thuis en school in de ochtendspits en een prelude op het thuiskomen tijdens de avondspits.De nieuwe stoeltjes daarentegen zijn emblematisch voor de nieuwe ideologie van het openbaar vervoer waarin huiselijkheid geen plek heeft. Het hedendaagse openbaar vervoer is gedacht als een netwerk van generische niet-plaatsen conform aan de in-transit-conditie van de hedendaagse pendelaar. Die ideale pendelaar is gehaast, hij spurtte doorheen de stationshal, kocht snel een matige koffie, wil snel op de trein springen - die vertraging heeft - en wringt zich vijf minuten op het koude zitmeubel alvorens hij verontwaardigd de trein op stapt. De ideale pendelaar werkt op de trein, hij propt het kleine tafeltje vol met zijn laptop en papieren en koffiebeker, hij zegt geen goedendag tegen de conducteur terwijl hij zonder gemor het juiste vervoersbewijs laat zien. De pendelaar spreekt uitsluitend Nederlands, Frans of Engels. De pendelaar mag een vriend, familielid of geliefde geen vaarwel zeggen op het perron, de pendelaar mag zijn voeten niet te rusten leggen in de wagon. De pendelaar vindt het loket niet meer in de grote stationshal, op de plek waar het jaren was, de pendelaar vindt er nu enkel het zoveelste Panos etablissementiii. Hoe openbaar is het openbaar vervoer dan nog? Ik weiger nostalgie de bovenhand te laten nemen, ik verzet me tegen blind cynisme en focus op de menselijkheid die ik zie op de trein. Treinpersoneel dat mensen meteen fysieke of mentale beperking aan boord helpt, uw medereiziger die een vrouw met kinderwagen van de trein en van de trap helpt, iemand die zijn koptelefoon afneemt om iemand die de taal vreemd is antwoorden te geven op de vele onduidelijkheden. Of misschien minder heldhaftig, het ongemakkelijke knikje tussen twee vreemden wanneer ze naast elkaar komen te zitten op een overvolle trein tijdens de spits. Met dezelfde blik probeer ik te kijken naar de ongemakkelijke interactie tussen twee botsende wandelaars op de straat, iemand die de duiven voedert in het park of een dansend kind op een plein, want ook de publieke ruimte rondom het station en in de stad lijkt te verloederen. Kabels worden gespannen over vensterbanken, straatlawaai moet ophouden om tien uur s ’avonds en geen minuut later, de politie wordt bij de minste samenkomst erbij gehaald terwijl we - terecht - verstrikt geraken in discussies over veiligheid op straat, waar meer controle naar voren wordt geschoven als enige oplossing voor het probleem. Paradoxaal genoeg draagt meer controle niet echt bij aan een veiligere stationsomgeving, tekenend daarbij zijn de beelden van een gewelddadige interventie op het perron in Brussel-Noord waarbij een vrouw van kleur tegen de grond werd gewerkt door agenten van Securailiv.Terwijl ik een slokje neem van de inmiddels koude koffie die rust op een van de houten balkjes van het houten bankje, droom ik weg over een stad waarin de ruimte tussen de voordeuren en vitrines, tussen de straten en sporen en tussen de parken en pleinen wordt ingericht met dezelfde zorgvuldigheid waarmee we onze persoonlijke ruimte inrichten. De tijd van “huiselijkheid weg van huis” is voorbij en maar goed ook, boven de romantische bankjes waar ik op zit waart het spook van patriarchaatv. Niettemin is het ondertussen ook vanzelfsprekend dat een verharde publieke ruimte niet per se vrouwvriendelijker is dan een huiselijk publiek interieur. Gastvrijheid, dat lijkt me het sleutelwoord voor een herbergzame publieke ruimte voor iedereen. Volgens de Franse filosoof Jacques Derrida is gastvrijheid het politieke recht van een vreemdeling om verwelkomd te worden zonder animositeit of hostiliteitvi, noem het gerust een ethiek van onvoorwaardelijke gastvrijheid. We moeten de publieke ruimte integraal - van park tot plein tot de straat en het station - herdenkenvanuit die ethiek als we een echte stedelijke inclusie willen. Een gastvrije publieke ruimte moet de diversiteit aan onbekenden toelaten, hun volwaardig laten zijn in de publieke ruimte zonder meer, zonder te moeten consumeren of bewegen. Gastvrije publieke ruimte moet stedelingen laten kuieren door de straten en over de pleinen en luieren op de banken en dorpels. Die opvatting staat lijnrecht tegenover de hostile architecture die zo eigen is aan de publieke ruimte van vandaag, die beruchte aluminium stoeltjes van de NMBS zijn er een schoolvoorbeeld van. Openbaar vervoer is het sluitstuk van het mobiliteitsvraagstuk in het Nieuwe Klimaatregime, de ruimtes van het openbaar vervoer moeten herdacht worden als integraal onderdeel van de stedelijke of nevenstedelijke ruimte en een klimaatrobuuste publieke ruimte is per definitie een gastvrije publieke ruimte toegewijd aan de doorweekte flaneur en de oververhitte stedeling in plaats van aan de consument en de pendelaar. Beginnen kunnen we met opnieuw comfortabelere meubels te plaatsen, op perrons en in de parken.

i Heleen Debeuckelaere, “Houten banken Noordstation (bijna) gered”, de Standaard, 6/7/2023.

ii “Women’s domestic interiors accompanied them on their shopping journeys. They were visible in therailway station waiting rooms in which they sat, the train carriages in which they travelled (…) These‘homes from home’ provided them with a level of comfort when they ventured outside of their homes”.“Homes from home” werd vrij vertaald naar “huiselijkheid weg van huis”. Het punt dat Penny Sparkemaakt is dat, historisch gezien, de “huiselijkheid weg van huis” een heilzame werking moest hebbentegen de instabiliteit van de publiek/privaat dichotomie (die de Westerse stad structureerd) tijdens demoderniteit. Sparke wijst verder ook uit dat die publiek/privaat dichotomie onlosmakelijk is verbondenmet sociale constructen zoals gender en klasse, de instabiliteit is volgens haar dan ook vooral te dankenaan de weerstand om deze constructen werkzaam te houden, zie Penny Sparke, “Introduction” in TheModern Interior, Penny Sparke (Reaktion Books Ltd), p.14-15.

iii Ik gebruik “panos etablissement” als een hyperbool, in het geval van Antwerpen-Centraal werden deloketten vervangen door een andere ontbijtzaak (pret a manger), zie Sacha Van Wiele, “NMBS haaltloketten in Antwerpen-Centraal weg uit grote hal, verhuis zint TreinTramBus niet: “Automaten zijn er ookverdwenen””, Gazet Van Antwerpen, 20/6/2024.

iv Giel Bosmans, Hanne Decré, Belga, “Parket onderzoekt incident op perron Brussel-Noord waarbijagenten van Securail zwarte vrouw in bedwang houden”, VRT NIEUWS, 13/8/2025.

v Zie eindnoot 2, zie ook Leslie Kanes Weisman, “Women’s Environmental Rights: A Manifesto” in Gender,Space, Architecture: An interdisciplinary introduction, redactie door Jane Rendell, Barbara Penner en IainBorden.

vi Jacques Derrida, “Hostipitality”, Angelaki: journal of theoretical humanities 5, no. 3, 2000, 3-17.